1. De arbeidsinzet tijdens de Tweede Wereldoorlog

De werving van arbeidskrachten
Kort voor en met name tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstaat in Duitsland een tekort aan geschoolde arbeiders. Vooral door het opvoeren van de productie in de wapenindustrie en het inzetten van mannen aan het front wordt dit tekort steeds groter. De nazi's trachten dit probleem op te lossen door een arbeidsinzet vanuit de bezette gebieden, waaronder Nederland. Door middel van affiches, advertenties en andere oproepen wordt vanaf 1941 geprobeerd arbeidskrachten te werven. De tekst op een van de wervingsaffiches luidt: 'Kom ook in den Germaanschen landdienst in het oosten'. De keuze voor het inzetten van buitenlandse arbeidkrachten leidt wel tot de vrees voor politieke infiltratie en voor 'verontreiniging van het Duitse bloed', niet alleen bij de autoriteiten maar ook bij de bevolking. (1)
De eisen voor het uitzenden van arbeidskrachten, die aan de bezette gebieden in West-Europa worden gesteld, zijn aan het begin van de oorlog nog matig. De Duitsers nemen nog genoegen met een tewerkstelling van werklozen. Openlijke dwang bestaat in het algemeen nog niet.



Oproep arbeidsinzet (Gooi en Eemlander 8 mei 1943)

Nadat de Duitse legers in Rusland zware verliezen hebben moeten incasseren, schroeven de nazi's in april 1942 de eisen op. In verschillende landen wordt een begin gemaakt met openlijk gedwongen tewerkstelling in Duitsland. De 'dienstverplichting' voor werkende arbeiders wordt ingevoerd, bedrijven worden uitgekamd, bedrijfssluitingen worden gelast en na juni 1943 worden alle mannen in bepaalde leeftijdsgroepen opgeroepen. Al in mei 1941 waren de arbeidsbureau's, die een belangrijke taak hebben bij de arbeidsinzet, hun werkzaamheden gestart. Vanaf 1943 worden ook de bevolkingsregisters ingeschakeld, zodat mannen persoonlijk kunnen worden aangeschreven. Burgemeesters worden verplicht het bevolkingsregister beschikbaar te stellen. Mannen die weigeren en onderduiken kunnen niet meer werken, ontvangen geen distributiebonnen meer en ook hun gezinsleden blijven daarvan verstoken. De arbeidspolitiek wordt steeds gewelddadiger. Contractbrekers en weigeraars worden naar het beruchte kamp Amersfoort gebracht. In het laatste oorlogsjaar worden 150.000 mannen van de straat opgepakt en onder de meest ellendige omstandigheden tot werken gedwongen. De strafkampen worden steeds voller. In Oost-Europa wordt de deportatie van mannen, vrouwen en kinderen voortgezet. Gevangenen in concentratiekampen worden in fabrieken te werk gesteld en in sommige concentratiekampen worden werkplaatsen ingericht. Na de invasie van de geallieerden in Normandië in juni 1944 kondigen de Duitsers de totale 'Kriegseinsatz' af. In Nederland worden, onder andere in Rotterdam, op grote schaal razzia's uitgevoerd.
(2)

De resultaten van de arbeidsinzet zijn voor de nazi's echter op geen enkel moment bevredigend. Hoe harder de Duitsers proberen om met nieuwe middelen arbeiders in hun greep te krijgen, des te sterker worden zij met het verzet in de Nederlandse samenleving geconfronteerd. Duizenden weten zich met behulp van illegale groepen en 'goede' ambtenaren aan de arbeidsinzet te onttrekken. Van een grootschalig georganiseerd verzet is echter geen sprake. Nooit wordt er massaal tegen de arbeidsinzet gestaakt.

Het illegale verzet in Nederland doet krachtige oproepen tot de medeburgers om zich niet te melden. Ambtenaren wordt gevraagd niet mee te werken en alles te doen wat in hun vermogen ligt om de procedures te saboteren.

De terugkeer van dwangarbeiders na de oorlog.
Voor de mannen die wel naar Duitsland vertrekken bestaat na de oorlog weinig begrip. Er wordt meestal geen verschil gemaakt tussen degenen die vrijwillig in Duitsland werkten en de mannen die opgepakt of gedwongen werden. Het totaal aantal buitenlandse arbeiders dat gedurende de Tweede Wereldoorlog in Duitsland te werk is gesteld bedraagt ongeveer zeven en een half miljoen.(3) Bijna twee miljoen daarvan zijn krijgsgevangenen. (4) Ruim een half miljoen arbeiders komt uit Nederland. (5) Aan het einde van de oorlog zijn naar schatting nog 381.000 Nederlandse arbeiders in Duitsland aanwezig. (6)
De terugkeer van de arbeiders is chaotisch. Het aantal personen dat naar Nederland terugkeert is niet bekend, maar gesproken wordt van 100 tot 500 arbeiders die per dag de grens overkomen. Bij Oldenzaal zijn de meeste arbeiders er slecht aan toe. In het Duitse gebied ten noorden van Nijmegen zouden zich 76.000 Nederlanders bevinden, van wie een groot aantal aan besmettelijke ziekten lijdt en die praktisch allen luizen hebben. In de Nederlandse grensplaatsen wordt door de bevolking in provisorisch ingerichte opvangcentra hulp geboden. Patiënten worden verzorgd. Degenen die zich tot illegale organisaties wenden krijgen soms nul op het rekwest omdat deze personen zich niet 'door een vaderlandse daad (namelijk onttrekking aan de arbeidsinzet) hadden onderscheiden'.

Het gros van de Nederlandse arbeiders keert pas na de ineenstorting van het Hitler-regime naar huis terug. Ten dele georganiseerd, ten dele zelfstandig. Soms alleen, soms in kleine groepjes. Gedurende de eerste weken na de bevrijding heerst er vooral in het westen van het land grote onzekerheid in de achtergebleven gezinnen. Het postverkeer is sedert september 1944 praktisch tot stilstand gekomen en vooral met het oog op besmettelijke ziekten worden gerepatrieerden nog gedurende enige tijd in quarantaine gehouden. Door een groot tekort aan vervoermiddelen en de ontredderde toestand van het wegennet kan de afvoer slechts zeer geleidelijk gebeuren. Alvorens de mannen naar huis kunnen keren worden ze medisch onderzocht. Scholen, fabrieksgebouwen, gedeelten van kloosters en boerderijen worden snel ingericht als ontluizingsinrichtingen, en noodziekenhuizen. (7) Het aantal Nederlandse arbeiders dat in Duitsland is omgekomen door bombardementen, ziekten of andere oorzaken wordt geschat op ongeveer 30.000 personen. (8)

Ga naar hoofdstuk 2 of ga retour naar de inhoudsopgave