1. De arbeidsinzet tijdens de tweede wereldoorlog
Kort voor en met name tijdens de tweede wereldoorlog ontstaat in Duitsland een tekort aan geschoolde arbeiders. Vooral door het opvoeren van de productie in de bewapeningsindustrie en het inzetten van mannen aan het front wordt dit tekort nog groter. De nazi's trachten tijdens de oorlog dit probleem op te lossen door een arbeidsinzet vanuit de bezette gebieden, waaronder Nederland. Door middel van affiches en andere oproepen wordt vanaf 1941 getracht arbeidskrachten te werven. De tekst op een van de wervingsaffiches luidt: 'Kom ook in den germaanschen landdienst in het oosten'. Ondanks de keuze voor het inzetten van buitenlandse arbeidkrachten is er sprake van vrees voor politieke infiltratie en voor 'verontreiniging van het Duitse bloed', niet alleen bij de autoriteiten maar ook bij de bevolking. (1)

Foto: een weerzien in 1996
De eisen die aan de bezette gebieden in West-Europa worden gesteld zijn aan het begin van de oorlog nog matig. De Duitsers nemen nog genoegen met een tewerkstelling van werklozen. Openlijke dwang bestaat in het algemeen nog niet. Als de oproepen weinig succes blijken te hebben worden jonge mannen opgeroepen en gedwongen naar Duitsland te gaan. Nadat de Duitse legers in Rusland zware verliezen hebben moeten incasseren, schroeven de nazi's in april 1942 de eisen op. In verschillende landen wordt een begin gemaakt met openlijk gedwongen tewerkstelling in Duitsland. De 'dienstverplichting' voor werkende arbeiders wordt ingevoerd, bedrijven worden uitgekamd, bedrijfssluitingen worden gelast en na juni 1943 worden alle mannen in bepaalde leeftijdsgroepen opgeroepen. De bevolkingsregisters en arbeidsbureau's worden ingeschakeld. In mei 1941 starten arbeidsbureau's, die een belangrijke taak hebben bij de arbeidsinzet, hun werkzaamheden.
Burgemeesters worden gedwongen het bevolkingsregister beschikbaar te stellen zodat mannen binnen de gewenste leeftijdsgrenzen kunnen worden opgeroepen. Onderduikers ontvangen geen distributiebonnen meer en ook hun gezinsleden blijven daarvan verstoken. Onderduikers die werkloos zijn ontvangen geen uitkering meer.
Onderduikers die wel werk hebben missen inkomen omdat zij niet kunnen werken. De arbeidspolitiek wordt steeds gewelddadiger. Contractbrekers en weigeraars worden naar het beruchte kamp Amersfoort gebracht. In het laatste oorlogsjaar worden 150.000 mannen van de straat opgepakt en onder de meest ellendige omstandigheden tot werk gedwongen. De strafkampen worden steeds voller. In Oost-Europa wordt de deportatie van mannen, vrouwen en kinderen voortgezet. Gevangenen in concentratiekampen worden in fabrieken te werk gesteld en in sommige concentratiekampen worden werkplaatsen ingericht. Na de invasie van de geallieerden in Normandie in juni 1944 kondigen de Duitsers de totale 'Kriegseinsatz' af. In Nederland worden, onder andere in Rotterdam, op grote schaal razzia's uitgevoerd. (2)
De resultaten van de arbeidsinzet zijn voor de nazi's echter op geen enkel moment bevredigend. Hoe harder de Duitsers proberen om met nieuwe middelen arbeiders in hun greep te krijgen, des te sterker worden zij met het verzet in de Nederlandse samenleving geconfronteerd. Duizenden weten zich met behulp van illegale groepen en 'goede' ambtenaren aan de arbeidsinzet te onttrekken. Van een grootschalig georganiseerd verzet is echter geen sprake. Nooit wordt tegen de arbeidsinzet massaal gestaakt.
Het illegale verzet in Nederland doet krachtige oproepen tot de medeburgers om zich niet te melden. Ambtenaren wordt gevraagd niet mee te werken en alles te doen wat in hun vermogen ligt om de procedures te saboteren. Na de oorlog bestaat er vaak maar weinig begrip voor de mannen die in Duitsland hebben gewerkt. Er wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de vrijwilligers en de mannen die opgepakt of gedwongen werden. Het totaal aantal buitenlandse arbeiders dat aan het eind van de tweede wereldoorlog in Duitsland te werk is gesteld bedraagt ongeveer zeven en een half miljoen. Bijna twee miljoen daarvan zijn krijgsgevangenen. (4) Ruim een half miljoen arbeiders komen uit Nederland. (5) Aan het einde van de oorlog zijn naar schatting 381.000 Nederlandse arbeiders in Duitsland aanwezig. (6)
De terugkeer van de arbeiders is chaotisch. Het aantal personen dat in de laatste paar maanden van de bezetting naar Nederland terugkeert is niet bekend, maar gesproken wordt van 100 tot 500 arbeiders die per dag de grens overkomen. Bij Oldenzaal zijn de meeste arbeiders er slecht aan toe. In het Duitse gebied ten noorden van Nijmegen zouden zich 76.000 Nederlanders bevinden, van wie een groot aantal aan besmettelijke ziekten lijdt en die praktisch allen luizen hebben. In de Nederlandse grensplaatsen wordt door de bevolking in provisorisch ingerichte opvangcentra hulp geboden. Patiënten worden verzorgd. Degenen die zich tot illegale organisaties wenden krijgen soms nul op het rekwest omdat deze personen zich niet 'door een vaderlandse daad (namelijk onttrekking aan de arbeidsinzet) hadden onderscheiden'.
Het gros van de Nederlandse arbeiders stroomt pas na de ineenstorting van het Hitler-regime naar huis terug. Ten dele georganiseerd, ten dele zelfstandig. Soms alleen, soms in kleine groepjes. Gedurende de eerste weken na de bevrijding heerst er vooral in het westen van het land grote onzekerheid in de achtergebleven gezinnen. Het postverkeer is sedert september 1944 praktisch tot stilstand gekomen en vooral met het oog op besmettelijke ziekten worden gerepatrieerden nog gedurende enige tijd in quarantaine gehouden. Door een groot tekort aan vervoermiddelen en de ontredderde toestand van het wegennet kan de afvoer slechts zeer geleidelijk gebeuren. Alvorens de mannen naar huis kunnen keren worden ze medisch onderzocht. Scholen, fabrieksgebouwen, gedeelten van kloosters en boerderijen werden snel ingericht als ontluizingsinrichtingen, en noodziekenhuizen.
Het aantal Nederlandse arbeiders dat in Duitsland is omgekomen door bombardementen, ziekten of andere oorzaken wordt geschat op ongeveer 30.000 personen. (8)
Ga naar hoofdstuk 2 of ga retour naar de inhoudsopgave